Regio


Duin- en Bollenstreek



Historie

Strandwallen. Vanaf ongeveer 5000 jaar geleden begonnen zich een reeks strandwallen te vormen, parallel aan de kust, gescheiden door laaggelegen strandvlakten. De strandwallen, waarop Oude duinen ontstonden, boden door droge omstandigheden een jachtgebied voor de eerste kustbewoners, die bovendien leefden van visvangst. De eerste nederzettingen ontstonden daarom op de strandwallen; en langs de randen daarvan ontstonden doorgaande wegen (noord-zuid) (zie kaart). We kunnen de volgende strandwallen onderscheiden:
1. de meest oostelijke wal, waar later zouden verschijnen: Hillegom, Lisse, 't Huys Dever , Sassenheim, Warmond, de kastelen Abtspoel, Oud-Poelgeest en aan het zuidelijke uiteinde kasteel Endegeest; 1A. een viertal vertakkingen aan de westkant van deze oostelijke wal (kasteel Keukenhof, Slot Teijlingen , Voorhout en Oegstgeest - Rhijngeest);
2. westelijk daarvan een wal, met daarop later: De Zilk, kasteel Boekhorst, Noordwijkerhout, kasteel Leeuwenhorst en Noordwijk-Binnen;
3. een derde en mogelijk zelfs vierde wal die waarschijnlijk te bar waren voor permanente bewoning. In de Romeinse tijd waren de strandwallen sterk bebost en in de strandvlakten groeide moerasbos. In dit ontoegankelijke gebied benoorden de indrukwekkende Rijnmond konden Friese stammen zich met succes teweerstellen tegen de Romeinse legers.

Rijnmond. Aan de zuidkant liepen alle strandwallen door tot in het estuarium van de Rijn, die toen midden tussen de huidige dorpen Noordwijk en Katwijk in zee uitmondde. Als dit estuarium bij westerstorm volstroomde stond het water tot aan het Waardeiland (nu Leiden) en liepen ook de laaggelegen strandvlakten tussen de strandwallen onder water. De Romeinen hebben geprobeerd de Rijn te temmen door aan de zuidkant dijken aan te leggen (de Hoge Rijndijk), voorzien van een serie forten. Op de meest westelijke strandwal onder de Rijnmond (boven het huidige Katwijk) werd het fort Brittenburg gebouwd. Na de Romeinse tijd (vanaf 400 AD) werd steeds meer Rijnwater via de Lek afgevoerd en begon de noordelijke Rijnmonding te verzanden. De moerassige strandvlakten verveenden geleidelijk en werden door de mens in gebruik genomen als weidegronden. In 1122 liet de Bisschop van Utrecht de toevoer tot de Kromme Rijn zelfs helemaal afdammen om zijn polders droog te houden. Van 1000 tot 1500 AD verzwolg de zee aanzienlijke delen van de westelijke strandwal (met Brittenburg erbij) en werden daarop nieuwe duinen gevormd, de Jonge duinen. In de 12e eeuw was de Rijnmond geheel verzand. Na vergeefse pogingen om een kunstmatige verbinding door de duinen te graven (Mallegat) werd de Oude Rijn via uitwaterende sluizen (halverwege de 19e eeuw) weer met de Noordzee verbonden.


Ontginning en openlegging. Als gevolg van een sterke toename van de kustbevolking tussen 500 en 1000 AD maakte het bos geleidelijk plaats voor landbouwontginningen. De Rijn was echter nog een enorme barrière, totdat die in de 12e eeuw definitief verzandde. In en langs de rivierbedding ontstond onmiddellijk een nieuwe route van Katwijk a/d Rijn naar Noordwijk (Binnen). Omdat dit een doorgaande openbare weg was onder de bescherming van de graaf van Holland en zijn leenheren, was dit een "heerweg", waarlangs de heer ook tol mocht heffen. De volgende routes waren middeleeuwse heerwegen:
1. Haarlem - Hillegom - Lisse - Sassenheim - Oegstgeest;
1A. Sassenheim - Warmond, tot aan het veer over de Poel (richting de kastelen Abspoel en Poelgeest).
2. 's-Gravendamseweg (de grafelijke weg van Slot Teijlingen naar de duinen) - Voorhout - Rijnsburg;
3. Vogelenzang - Noordwijkerhout - Noordwijk (Binnen) -Katwijk a/d Rijn; Sommige van deze heerwegen heten nu nog steeds Herenweg. Andere belangrijke wegen waren de Gravendammen, doorgaande verhoogde wegen die verschillende strandwallen met elkaar verbinden, door de strandvlakten. Eén daarvan liep van Slot Teylingen naar de duinen onder Noordwijkerhout en een ander van Katwijk oostwaarts, benoorden de Rijn.
Minder belangrijke routes werden in de Middeleeuwen aangeduid als "lijdweg" (doorgaande wagenweg), als "buurtweg" (lokale landweg), als "noodweg" (overpad), "doodweg" (richting begraafplaats), als "kerkepad" enzovoorts.
De bereikbaarheid van de streek en de handel kregen een enorme impuls door de aanleg van de trekvaart van Haarlem naar Leiden in 1657, via o.m. de Noordwijkerhoek, Voorhout, Warmond en de Mare.

Bestaansbronnen. Naast de landbouw heeft ook de zeevisserij zich al in de Middeleeuwen ontwikkeld tot een belangrijke bestaansbron, vooral lokaal in Noordwijk als in Katwijk, van waaruit vervolgens aparte vissersdorpen zijn ontstaan. Rond Noordwijk-Binnen nam vervolgens de kruidenteelt een hoge vlucht. Toen de botanicus Carolus Clusius eind 16e eeuw tulpenbollen uit Turkije naar Leiden meenam, ontdekte hij al snel dat de zandige geestgronden onder Haarlem uiterst geschikt waren voor de kweek van deze tulpen. Tulpenbollen werden rond 1635 zelfs een object van waanzinnige financiële speculatie. In de 19e eeuw was steeds meer zand nodig voor stadsuitbreidingen, spoordijken en de kalkzandsteenindustrie en werden steeds meer Oude duinen afgegraven, later ook veel Jonge duingebieden (bijv. bij Noordwijkerhout het Langeveld en onder Noordwijk het Vinkenveld). Het zand werd meestal op boten afgevoerd over "zandsloten" en verder via de Haarlemmertrekvaart. Parallel daaraan heeft de bollencultuur zich enorm uitgebreid op de ontstane geesten. Hierdoor ontstond in de 19e eeuw het grootste bollengebied ter wereld. De afzandingen gingen nog tot in de 20e eeuw door.

Duinen. Nadat de enorme verstuivingen die hadden geleid tot de vorming van de Jonge duinen in de 17e eeuw tot rust waren gekomen zijn op veel plaatsen akkers aangelegd waar o.a. de bekende duinpiepers (zandaardappelen) werden geteeld. In de Luchterduinen (N1) kregen deze het geleidelijk aan moeilijk door verdroging als gevolg van de drinkwaterwinning, aan het eind van de 19e eeuw. Er werden steeds meer paarden en geiten geweid; op veel plaatsen ontstonden daardoor in de 19e eeuw opnieuw verstuivingen. Tussen 1915 en 1940 zijn deze beplant met uitheemse dennen, maar de meeste daarvan zijn de afgelopen decennia gestorven door insectenplagen en de zoute zeewind.
Nadat Noordwijk aan Zee zich van kwijnend vissersdorp was gaan ontwikkelen tot toeristische badplaats, werden er in de Zuidduinen villawijken gebouwd en in de Noordduinen een heuse golfbaan (die na W.O. II naar het noorden is verplaatst,). Na 1970 begon de openluchtrecreatie in de duinen goed op gang te komen. De voortschrijdende invloed van waterwinning en recreatie op de duinen leidde tot de oprichting van de Stichting Duinbehoud, die na 1980 een fase van natuurbehoud wist in te luiden en na 1995 zelfs een fase van natuurherstel. Inmiddels zijn al twee duinterreinen teruggegeven aan de krachten van weer en wind: het zuiden van de Noordduinen en het zuidwesten van de Amsterdamse Waterleidingduinen . De aandacht vanuit de natuur- en landschapszorg is zich nu in oostelijke richting aan het verleggen. De nieuwe uitdaging is het behoud van een open bollenstreek en het voorkomen van een Bollenstad.