| Plaatsen |
| Den Helder |
![]() |
Historie
De Noordhollandse kust bestond lange tijd uit een zeer zwakke strandwal. Ten Noorden van Petten was deze zelfs zo zwak dat hij regelmatig doorbroken werd en rond 1300 definitief versnipperde tot een aantal waddeneilanden. Op een van die eilanden is omstreeks 850 ter hoogte van Huisduinen een vissersplaatsje ontstaan. In de 16e eeuw kwam Den Helder echt tot ontwikkeling als grotere vissersplaats. Het kreeg toen ook de huidige naam. Den Helder is namelijk afgeleid van het Oudhollandse woord hil, wat hogere plaats betekende. Dit vanwege de ligging bovenop een duin. Gaandeweg heeft men met inpolderingen achter de versnipperde duinen ten noorden van de Westfriese zeedijk en door het ontstaan van stuifdijken de kust tot aan het Marsdiep bij Den Helder gesloten gekregen.
Tot midden 18e eeuw is de visserij, vooral ook walvisvaart, de belangrijkste bron van inkomsten voor Den Helder. Eind 18e eeuw werden de eerste initiatieven genomen om van Den Helder een militaire haven te maken. Napoleon, die Den Helder als strategisch enorm belangrijk voor de marine ("Gibraltar van het Noorden") beschouwde, heeft de marine haven tenslotte vervolledigd en een verdedigingslinie aangebracht van verschillende forten (fort Kijkduin, fort Erfprins, fort Dirksz Admiraal, fort Westoever, fort Oostoever, fort Harssens en Oude Rijkswerf Willemsoord). Deze linie is onder Koning Willem I in 1814 afgemaakt. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is de linie echter grotendeels vernield door verscheidene bombardementen en ook Duitse verwoestingen.
Den Helder was door de ligging aan zee tot het einde van de 19e eeuw belangrijk voor de haven van Amsterdam, waarvan uit schepen via de Zuiderzee en Texel naar de Noordzee voeren. Dit werd versterkt door de aanleg van een directere verbinding via Alkmaar met het Noordhollands kanaal en de inpoldering van de Koegras polder ten zuiden van Den Helder. Eind 19e eeuw werd het Noordzee kanaal echter aangelegd. Den Helder kreeg toen compensatie door uitbreiding van de Marine.