| Natuur - Dieren |
|
Duinhagedis (Lacerta agilis) |
Namen en
verwantschap
Namen in Nederland en Vlaanderen: Zandhagedis of Duinhagedis.
Klasse: Reptilia (Reptielen); Orde: Squamata; Onderorde: Sauria
(Hagedissen); Familie: Lacertidae (Echte hagedissen); Geslacht: Lacerta
(Groene halskraaghagedissen)
Beschrijving
Relatief gedrongen
hagedis met korte poten, een zeer korte, zware kop (vooral bij mannetjes) en
gewoonlijk een duidelijke band versmalde schubben over het midden van de rug.
Kleur: zeer sterk variabel; meestal een samengestelde, donkere
streep of tekening over het midden van de rug, die kan bestaan uit donkere vlekken,
een (vaak onderbroken) lichte middenstreep en lichte vlekjes; op de zijden meestal
oogvormige vlekken, zwarte vlekken, of een andere tekening. Mannetjes hebben
groene, geelgroene of groenachtige flanken (in de paartijd diepgroen) en kunnen
soms vrijwel geheel groen zijn, afgezien van de centrale rugtekening. Soms hebben
ze grote oogvormige vlekken op de rug. Vrouwtjes zijn grijs of bruin, zelden
met groen, en de donkere centrale streep is gewoonlijk onderbroken. Bij sommige
dieren (van beide geslachten) is de rug geheel bruin of roodachtig. Jonge dieren
hebben vaak een vagere tekening, zijn nog niet groen maar hebben meestal wel
reeds opvallende oogvormige vlekken, vooral op de flanken.
Lengte: van snuit tot anus ca. 7-9 cm lang, met een staart van
ca. 9-15 cm.
Verspreiding
Grootste deel van Europa, in het noorden zeldzamer dan in het zuiden
maar voorkomend tot in NW-Engeland en Scandinavië.
Migratie: geen migrerende soort.
Verspreiding in Nederland: in de duinen en op zandgronden.
Habitat
Overwegend op de grond levend in een grote verscheidenheid van tamelijk droge
biotopen zoals akkerranden, wegbermen, graslanden met hier en daar lage struiken,
ruige grazige terreinen, hagen en zelfs tuinen. Is in het noorden van zijn verspreidingsgebied
een soort van het laagland en komt gewoonlijk voor op zandige heidevelden en
in duinen met afwisselend begroeiing en kaal zand. Is in zuidelijke streken
ten dele een bergsoort en komt daar voor in droge, hooggelegen graslanden, tot
op 2000 m hoogte.
Voedsel
Gevarieerd dieet van insecten, spinnen, slakken, niet-harige rupsen, fruit-
en bloemknoppen, sprinkhanen, kevers en motten.
Gedrag en voortplanting
Voedingsgewoonten: Prooidieren worden sterk vastgehouden in de
kaken en verlamd door ze op de grond te slaan. Vaak worden taaie vleugelomhulsels
verwijderd. Kannibalisme op jongen komt voor, wat de reden is dat nieuw uitgekomen
jongen zich snel verspreiden en onbewoonde gebieden zoeken.
Sociaal gedrag: leven in kolonies en delen tunnels en holen.
Mobiliteit: kolonisatie van onbewoonde gebieden wordt bevorderd
door kannibalisme op jonge dieren.
Bijzonderheden: Dagdier, bijzonder schuw voor mensen en grotere
dieren. Indien door de mens gevangen, kan het agressief zijn en zal proberen
te bijten. Houden een winterslaap en komen tussen half maart en begin april
te voorschijn en beginnen dan in lage vegetatie te zonnen ("koesteren"); extreme
warmte wordt vermeden. Ze graven zelf graag, maar nemen ook holen over die gegraven
zijn door muizen, woelmuizen of mollen. Ze beheren de interne temperatuur door
de ingang kleiner te maken met gras en bladeren. In de eerste helft van oktober
gaan ze in winterslaap. Jonge exemplaren blijven soms langer actief om voldoende
lichaamsgewicht te verzamelen; tijdens de winterslaap verliezen de dieren 30-40%
van hun lichaamsgewicht.
Volwassenheid: bij een leeftijd van ca. 2 jaar, bij mannetjes
iets eerder.
Reproductieperiode: eind april - eind juni.
Voortplantingsgedrag: het zonnen bij de mannetjes helpt bij de
productie van sperma. Het te voorschijn komen van de vrouwtjes veroorzaakt rivaliteit
onder de mannetjes. Hier geldt het recht van de sterkste, maar ze verdedigen
geen territorium. Elk mannetje probeert zoveel mogelijk te paren en is bereid
daarvoor met andere mannetjes te vechten. Daartoe worden de poten uitgestrekt
en de rug opgezet, de nek opgeblazen en de bek geopend, waarna ze op elkaar
af rennen, elkaar grijpen en met de bekken vast in de rondte rollen. Meestal
geeft de kleinste hagedis het op en vlucht. Bij het paren houdt in dat het mannetje
de flank van het vrouwtje in zijn bek, draait zijn lichaam in een half rondje
zodat de cloaca's tezamen komen.
Reproductiecapaciteit: eenmaal per jaar worden 4-17 witte eieren
gelegd.
Broedzorg: De zandhagedis is ovipaar, wat betekent dat het zijn
eieren inwendig uitbroedt door zich te koesteren. In juni -juli worden de langwerpige,
witte eieren in het zand begraven op plaatsen die overdag maximaal zonlicht
ontvangen, op 4-8 cm diepte. Na ca. 40 dagen komen de eieren uit, meestal tussen
eind juli en half september.
Predatie en competitie
Zandhagedissen kunnen ten prooi vallen aan wilde katten, huiskatten, grote vogels
(roofvogels, kraaiachtigen en fazanten), egels, dassen, wezels, vossen en slangen.
Bedreigingen
Duin- en heidebranden; mijnbouw, ontginning van natuurgebieden voor de landbouw,
verstedelijking en bosaanplant; verstoring door intensieve recreatie.
Bescherming
Europa: Bern Conventie, Appendix II
EU: Habitatrichtlijn, Annex IV
Nederland: Natuurbeschermingswet.
Op grond van de EU Habitatrichtlijn is in Noordwijkerhout (Zuid-Holland, begin
2002) de bouw van een recreatiecomplex tegengehouden door het voorkomen van
een populatie Zandhagedissen.
Aanbevolen literatuur
en bronnen:
E.N. Arnold et al. (1978). Elseviers Reptielen- en Amfibieëngids.