Plaatsen


Leiden



Historie

2000 Jaar geleden was er voor de kust een brede strandwallenzone gevormd, onderbroken door de monding van een enorme rivier, de Rijn. Achter de strandwallen lag een moerassige gebied dat onder invloed stond van de regelmatig binnendringende zee en van de Rijn. Zowel de zee als de rivier zorgden voor afzettingen van klei en zand, zodat er langs de rivier oeverwallen ontstonden. Toen de Romeinen hier kwamen werd de Rijn de noordgrens van hun rijk; zij verhoogden de zuidelijke rivierwal dan ook tot legerweg (nu nog herkenbaar als de oost-west route Hoge Rijndijk - Hogewoerd - Breestraat - Noordeinde - Haagweg; de noordelijke wal werd de "lage Rijndijk"). Vlakbij 't Hogeland, de westpunt van het riviereiland (de Waard), kwamen twee waterlopen uit op de Rijn: de Mare vanuit het noorden; en de latere Vliet naar het zuiden (via de Papengracht), richting Leidschendam.

In de 9e eeuw begon de Rijnmond geleidelijk te verzanden en verloor in de 12e eeuw de verbinding met de Noordzee. De nederzetting die hier in die tijd op de rivierwallen ontstond werd in een 9e eeuws boek vermeld als "drie Leithen" ("langs drie wateren"). Toentertijd was er slechts een fort op 't Hogeland (westelijke punt van het Waardeiland) en wat huizen langs de vml. heerweg, de Breestraat. De eerste Graven van Holland woonden vlak ten zuiden van de Breestraat, in een stadsgedeelte dat werd beschermd door een vestwal met daaromheen een gracht, het Rapenburg. In dit grafelijk domein verscheen in 1121 de eerste kerk, de Pieterskerk . Vlakbij deze kerk en het huis van de graaf verrees een kasteelgevangenis, het Gravensteen . Rond 1200 kreeg Leiden stadsrechten en een indrukwekkend rond stadsfort (de Burcht, ) verrees op een kunstmatige heuvel op de westpunt van het Hogeland. Dit trok vele nieuwe inwoners, en toen het te druk werd vertrok graaf Willem III uiteindelijk met zijn hofhouding naar Den Haag in 1329.
Vlaamse wevers maakten van Leiden in de 14e-15e eeuw een bloeiend lakencentrum; de stad telde toen drie kerken, 16 monnikenkloosters, 3 begijnenkloosters, 4 ziekenhuizen en reeds een aantal hofjes (kleine huisjes rond een binnentuin, meestal eigendom van een liefdadigheidsinstelling).

Tijdens de Tachtigjarige opstand tegen de Spaanse koningen doorstond Leiden een belegering van het Spaanse leger (1573-'74), reden waarom de stad van Prins Willem van Oranje de eerste Universiteit van Holland mocht bouwen, die in 1575 geopend werd . Dit was het begin van een welvarende periode die tot in de 17e eeuw duurde, Hollands Gouden Eeuw. De stad groeide snel en nieuwe vestingwallen met acht poorten werden gebouwd, omgeven door brede grachten, de Singels. Het aantal indrukwekkende gebouwen en hofjes nam toe en de rijken bouwden talrijke elegante huizen langs de Singels, de Rijn, het Rapenburg en andere grachten. Er werd steeds meer gehandeld en vervoerd, reden voor de aanleg van een Trekvaart naar Haarlem; de Mare, traditioneel de verbinding tussen Rijn, de Kagerplassen en het Leidse Meer, vormde het beginpunt voor deze nieuwe waterweg. De ineenstorting van de lakenindustrie in de 18e eeuw, de Franse bezetting (1795-1813) en de ontploffing van een buskruitschip (1807, zie ook ) maakten een einde aan de welvaart. Napoleon had Nederland flink uitgebuit en Leiden was een van de meest getroffen steden. De helft van de 28000 inwoners raakte aan de bedelstaf, de stad verpauperde en is de klap eigenlijk nooit meer te boven gekomen. Vele tientallen grachten werden gedempt, omdat het onderhoud van de kademuren te kostbaar was en ze als open riolen voor veel stank zorgden; veel straatnamen herinneren nog aan hun ontstaan als gracht. Na 1850 begon de stad weer sterk te groeien en kende enkele perioden van economische opleving. Met de aanleg van een aantal enorme nieuwe woonwijken (Merenwijk, Stevenshof) bedekte de bebouwing na 1990 vrijwel het hele grondoppervlak.