Plaatsen


Noordwijk


 
 

Historie

Het Friese dorpje Northgo (letterlijk: noordelijke gouw, of plaats, d.w.z. ten opzichte van de Rijn) was gelegen in het oude centrum van Noordwijk-Binnen. Het bestond waarschijnlijk al enkele eeuwen, toen in 847 de Schotse Benedictijn Jeroen bij de Rijn aan land kwam en de streek probeerde te kerstenen. Nadat het Noordwijkse kerkje in 856 door de binnenvallende Noormannen was platgebrand en Jeroen was gevangen genomen en vermoord, werd hij de beschermheilige van het dorp; zijn graf in de Grote Kerk maakte Noordwijk in 1429 tot een officieel bedevaartsoord en trok veel bedevaartgangers aan.
Noordwijk was in de Middeleeuwen een zgn. Ambachtsheerlijkheid, bestuurd door een Ambachtsheer, een Schout (benoemd door de Heer) en zijn Schepenen. De dorpers waren er in 1397 in geslaagd om stadsrechten te verwerven, maar de Edelen waren niet blij met de gevolgen daarvan voor hun positie; omdat er geen stadswal kwam vervielen de stadsrechten weer. Toen de Heerlijkheid Noordwijk werd samengevoegd met die van Langeveld, Ter Lucht (de Luchterduinen, bij De Zilk) en Offem kreeg de huidige gemeente zijn vorm.

Noordwijk-Binnen werd in 1450 geheel door brand in de as gelegd, alleen de kerktoren bleef gespaard. Gelukkig was dit de laatste grote brand en dus heeft de huidige dorpskern veel van zijn karakter behouden. Wel werd het 15e eeuwse St. Barbaraklooster tijdens de beeldenstorm in 1566 door de geuzen geplunderd en in brand gestoken. Tijdens het beleg van Leiden in 1573 staken de geuzen vele grote gebouwen rond Leiden in brand, om te voorkomen dat het Spaanse leger die zouden vorderen. Maar de Grote Kerk ontkwam aan de vernietiging omdat één van de verzetsleiders, Jonkheer Jan van der Does, Ambachtsheer van Noordwijk was. De brand werd afgekocht door een schenking aan het leger van de Prins van Oranje.
Eeuwenlang had de bevolking vooral van de visserij geleefd en van de daarmee verbonden scheepsbouw, visrokerij, touwslagerij, taanderij (behandeling visnetten) en kuiperij (maken van haringtonnetjes). Maar vanaf de 16e eeuw bloeide "Binnen" op door de winstgevende kruidenteelt. De historische kern rond de Grote Kerk getuigt van deze periode, met tal van monumentale gebouwen aan het Lindenplein en de Voorstraat . Eind 16e eeuw bracht de Leidse botanicus Clusius de eerste tulpen naar Leiden en naar de zandige duingrond als vruchtbare bodem daarvoor. In de 19e eeuw overvleugelde de bollen- de kruidenteelt en werd het dorp een "bloemenbadplaats".
"Binnen" was in de Reformatie overwegend katholiek gebleven; de RK-gemeenschap mocht in 1690 werd een noodkerkje inrichten in de Kerkstraat en betrok in 1834 een stenen kerkje nabij het Lindenplein, waar na 1894 de huidige halle-kerk tegen aan werd gebouwd.

Noordwijk aan Zee is pas rond 1200 ontstaan toen enkele vissers en jutters gingen wonen in een duinvallei (ter plaatse van de huidige Hoofdstraat); daar trokken de Noordwijkers al eeuwenlang hun vissersboten op het strand. In 1300 visten Noordwijkse schepen al volop onder de Engelse kust en in de 15e eeuw bestond de vloot uit een kleine 40 schepen. In 1444 werd de eerste "vierboet" (verhoogde vuurplaats, ter plaatse van het huidige Huis ter Duin) gebouwd, zodat de vissers 's nachts hun strand konden terugvinden. In die tijd lag er een kapel en een waterput op het Calis Pleyn (nu Palaceplein).
1570 was een rampjaar: de Allerheiligenvloed spoelde een deel van de woningen weg en de Spaanse bezetters begonnen hun plunderingen als opmaat voor het beleg van Leiden. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog was de bevolking van "Zee" overwegend protestant en velen van hen waren geuzen. Hierdoor hadden de Spanjaarden het vooral gemunt op "Zee". Pas aan het eind van de oorlog, in 1647, kreeg de Nederduits Gereformeerde gemeenschap een eigen kerk, de Kapel ter Zee .
Vanaf 1700 verkozen steeds meer Noordwijkers de kruiden- en bollenteelt boven het zware zeemansbestaan. Dit kon niet worden opgevangen door de kleine vissersbevolking van "Zee": in 1755 telde deze nog maar 560 bewoners (100 huizen!), in 1846 duizend (150 huizen). De Franse bezetting (1795-1813) deed de visserij ook geen goed. Napoleon legde de vissersboten strenge beperkingen op, uit angst voor handel met de vijandige Engelsen. Daardoor legde de haringvisserij het loodje. De nieuwe regering legde vervolgens van 1818 tot 1854 nieuwe beperkingen op aan de haringvisserij in Noordwijk, Katwijk en Scheveningen om andere vissersplaatsen ook een kans te geven. De Noordwijkse visserij is daarna door gebrek aan zeelui en reders verder ingestort. In 1868 telde de vloot nog maar 16 bomschuiten voor de haringvangst en 2 kleine bootjes voor platvis; in 1913 voer de laatste bomschuit uit.
Na 1860 kwam het badtoerisme op gang; in 1866 verschenen de eerste badkoetsjes op het strand en was de Badplaats Noordwijk een feit. Vanaf dat moment is "Zee" zeer snel uitgebreid, werden de vissershuisjes gesloopt en is het oude dorp grootscheeps vernieuwd. Gelukkig kan de geschiedenis nog worden ervaren in de museumboerderij Oud-Noordwijk .