Regio


Zuid-Kennemerland


Historie

Strandwallen. Vanaf ongeveer 5000 jaar geleden begon zich een reeks strandwallen te vormen, parallel aan de kust, gescheiden door laaggelegen strandvlakten. We kunnen in Zuid-Kennemerland de volgende strandwallen onderscheiden:
1. de meest oostelijke wal, die in het oosten werd begrensd door de veenmoerassen van het latere Spaarne; op deze wal zouden later Haarlem en Heemstede ontstaan
2. vlak ten westen daarvan (en ervan gescheiden door moerasveen) een tweede wal, waar later Santpoort, Bloemendaal, Overveen en Vogelenzang zouden ontstaan
3. nog meer westelijk een serie strandwallen die wel bewoond zijn geweest maar na de 12e eeuw zijn overdekt door het zand van het Jonge duinlandschap.
Op al deze strandwallen, die zich uitstrekten van Alkmaar tot aan de monding van de Oude Rijn onder Noordwijk, ontstonden lage duintjes, de Oude duinen. De strandwallen raakten ook bebost en boden droge voeten, beschutting, bouwmateriaal, brandhout en jachtgebied voor de eerste kustbewoners, die bovendien leefden van visvangst. Daar ontstonden dan ook zo'n 4000 jaar geleden de eerste nederzettingen; en langs de randen van die strandwallen ontstonden doorgaande wegen (noord-zuid).

Ontginning. In de Romeinse tijd waren de strandwallen sterk bebost en in de strandvlakten groeide moerasbos. In dit ontoegankelijke gebied benoorden de indrukwekkende Rijnmond konden Friese stammen zich met succes teweerstellen tegen de Romeinse legers. De Germaanse stammen rond de monding van de Oude Rijn worden ook wel aangeduid als de Kaninefaten ("konijneneters"). Na het vertrek van de Romeinen waren de Friezen heer en meester over het gehele kustgebied, hoewel zich hier ook veel Saksen vestigden. Als gevolg van een sterke toename van de kustbevolking tussen 500 en 1000 AD maakte het bos geleidelijk plaats voor landbouwontginningen. Rond 1100 traden namelijk grote veranderingen op. Klimaatsveranderingen met stormen veroorzaakten kustafslag en joegen het zand landinwaarts, zodat er zandverstuivingen met 'loopduinen' ontstonden die de strandwallen en Oude duinen met een dikke laag zand overdekten. Zo veranderde het grootste deel van het strandwallengebied in het Jonge duinlandschap.

Bestaansbronnen. Naast de landbouw heeft ook de zeevisserij zich al in de Middeleeuwen ontwikkeld tot een belangrijke bestaansbron, vooral in Zandvoort. Toen de botanicus Carolus Clusius eind 16e eeuw tulpenbollen uit Turkije naar Leiden meenam, ontdekte hij al snel dat de zandige geestgronden onder Haarlem uiterst geschikt waren voor de kweek van deze tulpen. Tulpenbollen werden rond 1635 zelfs een object van waanzinnige financiële speculatie. De bereikbaarheid van de streek en de handel kregen een enorme impuls door de aanleg van de trekvaart van Haarlem naar Leiden in 1657, in de oude strandvlakte tussen de strandwallen van Heemstede en die van Vogelenzang. Aan het eind van de 18e eeuw begon men in de duinen landbouw te bedrijven. Dit werd geen succes; de grond was arm en de grondwaterstanden wisselden sterk. Bosbouw gaf betere resultaten. Vanaf het begin van de 20e eeuw werden veel dennen in de duinen aangeplant, vooral om het zand vast te houden. In de binnenduinrand legde men eiken- en beukenbossen aan, die hier van oudsher ook al voorkwamen.

Velsen is als agrarische gemeenschap ontstaan tussen de duinen en het toenmalige Wijkermeer. Al in de vroege Bronstijd vestigden zich mensen in het lagunegebied, dat werd gevormd door strandwallen en moerassige strandvlakten. In de 17 en 18e eeuw werd de duinrand ontdekt door Amsterdamse kooplieden, die hier landgoederen kochten en buitenplaatsen bouwden. Om Amsterdam van een nieuwe Noordzeeverbinding te voorzien werd in 1876 het Noordzeekanaal aangelegd, hetgeen grote veranderingen met zich bracht. Hierdoor werd Kennemerland doormidden gesneden, verdween de prachtige vochtige duinvallei de Breesaap en werden het IJ en het Wijkermeer ingepolderd.

IJmuiden (letterlijk: "monding van het IJ") ontstond aan de monding van het Noordzeekanaal. De Noordzeesluizen zijn enkele keren aangepast aan de schepen (die steeds grotere afmetingen kregen) en vormen tegenwoordig het grootste zeesluizencomplex ter wereld. Ook werd het kanaal een aantal keren verdiept. De havenhoofden steken 3 km (zuidelijke hoofd) en 2,2 km (noordelijke hoofd) in zee. De komst van Hoogovens in 1918 heeft het gebied nogmaals sterk beïnvloed. IJmuiden is na Rotterdam en Amsterdam de derde zeehaven van Nederland. Het is Nederlands eerste aanvoerhaven van vis en daardoor het belangrijkste centrum van de Nederlandse zeevishandel. Onder de zuidpier is in de jaren 1990 een jachthaven aangelegd, Seaport Marina, die in open verbinding staat met de Noordzee. Daarlangs is een nieuwe boulevard verrezen met ten zuiden daarvan een binnenmeer.

Santpoort was door de eeuwen een bestuurlijke eenheid met Velsen en is nog steeds een agrarisch centrum met bloembollen- en veeteelt.

Bloemendaal. De gemeente Bloemendaal is ontstaan uit de ambachtsheerlijkheden Tetterode, Aelbertsberg en Vogelenzang die dateren uit de 12e t/m 14e eeuw; de huidige namen zijn respectievelijk Overveen, Bloemendaal en (nog steeds) Vogelenzang. De naam Tetterode of Tetrode dateert uit de 13e eeuw; de meeste namen die eindigen op rode, hetgeen op het kappen of rooien van bomen wijst, stammen uit deze tijd. Pas in de 15e eeuw is sprake van Overveen. Het was de plaats gelegen 'over het veengebied' tussen de oude strandwal van Haarlem lag en de Jonge duinen. De naam Aerdenhout komt van 'anderen hout' ter onderscheiding van de Haarlemmer Hout. Vanaf de 16e eeuw is er sprake van de Ander-Hout, Anderhout en Aerdenhout. Vanaf eind 16e eeuw was de blekerij een belangrijke nijverheid. Begin 1800 werden gronden veranderd in weiden en tuinderijen of werden tot buitenplaats verbouwd. In de omgeving van Overveen vestigden zich bollenkwekers. In dit gebied liggen nog altijd veel buitenplaatsen en landgoederen (Vogelenzang, Woestduin, Vinkenduin, Leyduin, Elswout, Duin en Daal, Sparrenheuvel, De Rijp, De Beek, Buytentwist, Duinzigt, Vaart en Duin, Elswoutshoek).

Zandvoort. De naam van deze badplaats is afgeleid van de naam Sandevoerde. 'Sande' slaat uiteraard op zand (duinen); een 'voerde' of 'voorde' is een doorwaadbare plaats. Hier was de jonge duinenrij onderbroken en was vanaf het strand toegang tot de lager gelegen duinvalleien. Een soort kom of slufter, die beschutting bood, waar omstreeks 1100 het vissersdorp Sandevoerde ontstond. Eeuwenlang was de visserij het belangrijkste middel van bestaan. In de 19e eeuw werden echter steeds meer duingronden tussen Zandvoort en Haarlem ontgonnen ten behoeve van de akkerbouw, m.n. duinaardappelen. Deze aardappelteelt nam in 1875 een hoge vlucht toen de grondwaterstand werd verlaagd door de waterwinkanalen die in de duinen ten zuiden van Zandvoort werden aangelegd. Decennia lang zouden deze kanalen een centrale rol spelen in de drinkwatervoorziening van de regio. Tegenwoordig is de grootschalige aardappelteelt voorbij, al loopt in de Amsterdamse Waterleidingduinen (ten Z van Zandvoort) een experiment om de duinpieper terug te brengen.